Onder het oude wetboek van vennootschappen (W.Venn.) gold als regel dat een vennootschap jaarlijks een deel van de winst moest toewijzen aan de wettelijke reserve. Hoe zit dat onder het nieuwe wetboek, het WVV, en wat met de overgangsregeling?

Verplichte bijdrage

De meest gebruikelijke vennootschapsvormen waren onder de oude wetgeving verplicht om 5% van hun winsten te gebruiken voor de aanleg van de zogenaamde wettelijke reserve. We hebben het hier over de BVBA, de NV, de CVBA, en de Comm.VA.
Die verplichting bleef bestaan tot die wettelijke reserve gelijk was aan 10% van het maatschappelijk kapitaal (in de CVBA 10% van het vaste gedeelte van het maatschappelijk kapitaal).

Geen maatschappelijk kapitaal, dus geen wettelijke reserve

Onder het WVV verdwijnen voor de BV en de CV de begrippen maatschappelijk kapitaal zodat er ook geen wettelijk reserve meer moet aangelegd worden. In de NV en de Comm.VA verandert er niets: de notie “maatschappelijk kapitaal” blijft bestaan en ook de wettelijke reserve moet nog steeds aangelegd worden volgens de zelfde regels als voorheen.

Geen maatschappelijk kapitaal, geen wettelijke reserve? Wat dan wel? In plaats van deze twee balansrekeningen komt er de rekening “statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening”.
Dit vermogen kan, zoals de benaming al doet vermoeden, niet uitgekeerd worden. Wil je dat toch doen, dan moet dit uitdrukkelijk in de statuten opgenomen worden.
Trouwens: je moet met uitkeringen van eigen vermogen (of het nu van deze vermogensrekening komt, dan wel om winst gaat) altijd uitkijken. Dergelijke uitkeringen zijn onderworpen aan een dubbele test: de liquiditeitstest en de balanstest.
Het is precies deze liquiditeitstest die in de plaats kwam van de wettelijke reserve. Met deze test moet de bestuurder vermijden dat de onderneming de verderzetting van haar activiteiten bemoeilijkt door uitkeringen.

De overgangsregeling

Er zijn meerdere vennootschapsvormen en meerdere scenario’s.
Voor de NV en de Comm.VA verandert er niet zoveel. Dat hadden we hier boven al aangehaald. Maar voor de BVBA (nu BV) en de CVBA (nu CV) verandert er wèl het één en ander.

Het WVV is in werking getreden op 1 mei 2019 en was meteen van toepassing op vennootschappen die sindsdien zijn opgericht.

Had u een BVBA of een CVBA, dan kon u tot 1 januari 2020 de zogenaamde ‘opt in’ doen: u schakelde dan in 2019 uw BVBA of CVBA om naar een vennootschapsvorm conform het WVV. Dat zal dan in 99% van de gevallen een BV zijn omdat een CV nieuwe stijl in de meeste gevallen niet meer past voor een commerciële onderneming.

Deed u niets, dan werd uw BVBA op 1 januari 2020 automatisch een BV.
De CVBA is een bijzonder verhaal. Voldoet ze aan de voorwaarden van een CV, dan kan de CVBA omgezet worden in een CV. Voldoet ze niet aan die voorwaarden, dan blijft het een CVBA, onderworpen aan het oude wetboek vennootschap, zij het dat de dwingende bepalingen wel van toepassing werden op 1 januari 2020.
Bij de eerste statutenwijziging moet er dan gekozen worden welke vennootschapsvorm er zal aangenomen worden. Doet u niets vóór 1 januari 2024, dan wordt de CVBA automatisch omgezet in een BV.

De BVBA

Heeft u een BVBA/BV dan worden voor boekjaren die afsluiten vanaf 1 januari 2020 uw maatschappelijk kapitaal en wettelijke reserve omgezet in een “statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening”.

Sloot uw boekhouding af op 31 december 2019, dan bent u strikt genomen onderworpen aan de oude regels, en zal uw jaarrekening nog wel melding maken van een maatschappelijk kapitaal en wettelijke reserves (die dan ook nog verder moet aangelegd worden conform de vennootschapsregels van het oude vennootschappenrecht).

Sluit uw boekjaar af vanaf 1 januari 2020, dan is de nieuwe wetgeving wel van toepassing en moet u geen wettelijke reserve meer boeken: het is de wetgeving op de datum van het afsluiten van de boekhouding die telt.

Het CBN heeft hierover eerder tegenstrijdige communicaties verricht. In haar nieuwsbrief van 29 januari 2020 inzake de dwingende bepalingen van het WVV schrijft het CBN: “Doordat het kapitaal van rechtswege niet meer bestaat vanaf 1 januari 2020, dient bij de beslissing van de algemene vergadering in mei 2020 over de bestemming van het resultaat van boekjaar 2019, geen inhouding van de winst meer te gebeuren van ten minste een twintigste van de nettowinst totdat het reservefonds een tiende van het kapitaal heeft bereikt. De wettelijke verplichting van artikel 319 W.Venn. is immers opgehouden te bestaan en de statuten vermelden geen andersluidende bepaling. Maar opgelet … als uw statuten voorzien dat u jaarlijks een bepaald percentage van uw winsten reserveert, dan blijft die regeling wel gelden.”
Maar in haar eigen advies 2019/14 vermeldt de commissie: “Voor een BVBA die haar boekjaar afsluit per kalenderjaar, en geen voorafgaand gebruik maakte van een “opt in”, is de laatste jaarrekening waarin sprake is van een kapitaal de jaarrekening met afsluitingsdatum 31 december 2019.”
Ook de NBB vraagt BVBA’s met een boekjaar dat afsluit op 31 december 2019 een jaarrekening neer te leggen “met kapitaal”.

De CVBA

De regeling voor de CVBA is bijzonder complex. In eerste instantie moet het bestuursorgaan van de CVBA uitmaken of de vennootschap aan de voorwaarden voldoet om een CV te worden. Indien ja, dan wordt de vennootschap een CV. Indien niet, dan blijft de oude vennootschapswetgeving van toepassing ofwel tot via een statutenwijziging beslist wordt wat de nieuwe vennootschapsvorm wordt, ofwel tot 1 januari 2024: dan wordt de vennootschap automatisch een BV.
Dit betekent volgens sommige auteurs dan ook dat in afwachting daarvan de regels inzake de ‘wettelijke reserve’ gewoon van toepassing blijven zoals voorheen.

Beschikbaar maken

De wettelijke reserve is een onbeschikbare reserve en bij de omzetting blijft de reserve onbeschikbaar. Maar u kan hem wel beschikbaar maken bij de eerstvolgende statutenwijziging. Voor de BV en de CV gelden immers sinds 1 januari 2020 bijzondere regels (balans- en liquiditeitstest). Die zijn volgens de wetgever voldoende om de belangen van schuldeisers en derden te vrijwaren.